De Hongaartjes

2012

Treinkinderen, over de publicatie van Vera Hajtó

Afgelopen seizoen verzorgde Vera Hajtó in de reeks Universitaire Dinsdaglezingen aan de Hogeschool/Universiteit Brussel de presentatie van ‘De Hongaartjes’ Hongaarse kinderactie in België 1923-’27 en 1946-’47.
Zij is Hongaarse, studerende aan de Katholieke Universiteit Leuven en presenteerde voor het eerst een lezing in het Nederlands en met veel succes.

Allereerst schetste zij de politieke en sociale situatie, die door de Eerste Wereldoorlog in Hongarije was ontstaan: een humanitaire catastrofe. Internationale organisaties en kerkgenootschappen werden diep getroffen door het leed en de ontberingen van de tienduizenden Hongaarse kinderen. In 1920 ontstond in Nederland, dat in de oorlog neutraal was geweest, het idee en het initiatief een zes maanden durende vakantie aan te bieden. Het initiatief werd overgenomen door Zweden, Zwitserland en Groot-Brittannië. De praktische organisatie werd in samenwerking met de Hongaarse Staatsliga voor Kinderbescherming uitgevoerd. Naast de protestantse organisaties nam in Nederland het R.K. Huisvestings Comité deel. De acties waren duidelijk gescheiden, katholieke kinderen reisden in 'katholieke' treinen.

De drijvende kracht in Nederland was de Hongaarse priester Miklós Knébel, maar het aantal katholieke gezinnen dat Hongaarse kinderen wilde opnemen was beperkt, daarom wilde hij de actie uitbreiden tot  in Vlaanderen. Met een aanbevelingsbrief van aartsbisschop János Csernoch bezocht hij in januari 1923 kardinaal Désiré Mercier in Mechelen, deze was direct gewonnen en zegde zijn volle steun toe. Maar in Budapest was de Liga niet enthousiast, men vreesde een negatief effect van het feit dat beide landen vroeger oorlogsvijanden waren geweest. Desondanks zette priester Knébel  door en op 1 mei 1923 werd de eerste groep van 63 kinderen na hun aankomst in Tilburg België 'binnengesmokkeld'. Zij hadden een geldig paspoort, maar geen verblijfsvergunning. De autoriteiten werden er niet in gekend, maar vanaf juli van dat jaar arriveerden op legale wijze maandelijks of tweemaandelijks rechtstreeks de kindertreinen met ongeveer 700 kinderen in België. De kinderen waren in de leeftijd tussen drie en vijftien jaar. Voor de coördinatie van de actie werd het Secretariaat van het Hongaarsch Kinderwerk opgericht, waar deken Joannes Jansen in Turnhout met de dagelijkse leiding werd belast. Hij onderhield de contacten met de Belgische en Hongaarse autoriteiten, hij was verantwoordelijk voor de propaganda in Vlaamse parochies en de publiciteit in de media, samen met Miklós Knébel.

De werving van gastgezinnen
verliep via de plaatselijke kerkgemeenschappen, maar de aanvragers werden nauwelijks geselecteerd, men moest katholiek zijn, maar gezinssituatie, leeftijd, financiële toestand werden niet gecontroleerd. Niet alleen gezinnen, maar ook geestelijke en kloostergemeenschappen kwamen voor gastkinderen in aanmerking.

De selectie van de kinderen in Hongarije vond door de Liga plaats in Budapest, uit welke stad en omgeving de meeste kinderen afkomstig waren. Hier was ook de nood het grootst. Er was een verplichte medische keuring op besmettelijke zieketen, zoals tuberculose, en ook op luizen. Een belangrijk criterium was ook het gewicht, vele waren ondervoed en slecht gekleed. De reis per trein vanuit de hoofdstad duurde enkele dagen en vond o.a. plaats in oude hospitaalwagons van het leger. Zodra zij in België waren stopten de treinen in een aantal grote stations, waar telkens een groep uitstapte om met plaatselijk vervoer naar de plaats van bestemming te gaan. Daar kon de aankomst op grote publieke belangstelling rekenen.
De kinderen leerden meestal snel Vlaams, vaak met een plaatselijk dialect. De duur van het verblijf was afhankelijk van het Vlaamse gezin én van de Hongaarse ouders, sommige kinderen verbleven er enkele maanden, soms jaren, andere konden niet meer terug omdat bijv. een van de ouders was gestorven.
De treinen namen op de terugreis weer kinderen mee, vaak overladen met pakketten voedsel en kleren, die zij van hun gastouders en parochiecomité hadden gekregen. Het afscheid was vaak zeer emotioneel, van beide kanten.

In 1927 eindigde officieel het Hongaarse Kinderwerk. In Hongarije spoorden de autoriteiten al in 1926 de Liga aan om het programma stop te zetten. De redenen waren van politieke aard: De Volkenbond verstrekte Hongarije een lening voor het economisch herstel, onder toezicht van experts van de Volkenbond, Hongaarse politici meenden dat het feit dat het land hulp in het buitenland zocht voor het levensonderhoud van Hongaarse kinderen geen positief imago verschafte. Dat besluit zorgde in de Vlaamse Westhoek voor grote beroering, omdat hier vanwege de aanzienlijke oorlogsschade de actie pas in 1926 goed op gang was gekomen, daarom werd de actie trapsgewijze afgebouwd.
In totaal kwamen naar schatting rond 23.000 kinderen naar België, waarvan 5 tot 10% is gebleven, over het juiste aantal bestaan onvoldoende statistische data..
Het overgrote deel van de 'Hongaartjes' dat hier bleef waren meisje die met een Belg trouwden, ook een aantal Hongaarsen trad in in een religieuze orde, ook van de jongens trouwden er met een Belgische en bleven hier.

De band tussen Hongarije en vooral Vlaanderen was gelegd en had een lange nawerking, men bleef met elkaar corresponderen en bezocht elkaar ook wederzijds. Toen in 1940 België door Duitsland werd bezet, was Hongarije neutraal en stuurde hulp in de vorm van kleding en voedsel, totdat het de kant van Duitsland koos.
Na de Tweede Wereldoorlog werd door de katholieke hulporganisatie Caritas Internationalis, waarvan Caritas Catholica Belgica lid was, een hulporganisatie voor behoeftige kinderen In Europa opgericht. In dat kader stuurde men pakketten aan  kinderen, o.a. in Hongarije. Maar ook bood men buitenlandse kinderen een vakantie van 3 tot 6 maanden aan in België, zo verbleven in de jaren 1946 en 1947 ongeveer 2000 Hongaarse kinderen hier, in vergelijking dus ongeveer een tiende van de actie van het 'Kinderwerk'. De politieke situatie in Hongarije maakte er een eind aan.

Tot zover een samenvatting van de voordracht die Vera Hajtó heeft gehouden. De belangstelling ervoor was zo groot, dat de zaal te klein was voor alle toehoorders.
Aan het einde was er nog tijd voor vragen en discussie, sommigen vertelden hun eigen verhalen en betrokkenheid bij dit onderwerp, dat nog steeds levend is.

 Leo Boode

Over hetzelfde onderwerp hield Vera Hajtó een voordracht in het Engels onder de titel The 'wanted' children. Experiences of Hungarian children living with Belgian foster families during the interwar period op een conferentie  in 2008 in de KULeuven, waarvan de tekst werd gepubliceerd in het tijdschrift The History of the Family  Vol. 14, Nr 2, 2009, Elsevier.
Hajtó interviewde ook Irén Horvath, die het boek Land zonder ooievaars schreef. (Zie Most Magyarul! nr. 20) en onze website.
Rudi Hermans schreef over dit onderwerp de novelle Terugkeer naar Törökbálint, Uitgeverij Conserve (NL/Schoorl) 1989. ISBN 90 71380 39 4.

'Een moeder neemt in het Boedapest van vlak na de Eerste Wereldoorlog afscheid van haar kind. Een trein van het Rode Kruis brengt haar kind naar Vlaanderen. Pas vijfenveertig jaar later maakt een vrouw vergezeld van haar zoon de terugreis. Daar tussenin ligt een verbijsterend leven waar geen dag voorbij ging zonder heimwee naar het vaderland, het Hongarije van de eindeloze poesta. Verbeelding, herinnering en feiten, met elkaar geconfronteerd, maken van Terugkeer naar Törökbálint een fascinerende reis door de tijd', aldus de flaptekst.